Urban Songs – Klas Torstensson

Geplaatst op

On October 3rd the DoelenEnsemble with conductor Arie van Beek and with soprano Charlotte Riedijk, will perform three works of Klas Torstensson in De Doelen. Pocket Size Violin Concerto, Sieben mal NEO for septet (Dutch première) and Urban Songs for soprano and large ensemble. At 19.15 Neil Wallace will have a conversation with Klas Torstensson and some musicians…   

As a composer, I feel attracted to writing series – or ‘families’ – of compositions, a method which enables me to concentrate, over a longer period of time, on a specific problem or on a specific definition of a problem. An example is my triptych Licks & Brains for saxophones and ensemble (1987-88). In the case of Urban songs, for soprano, large ensemble and computers, the ‘family’ is small; apart from this piece, the only other ‘family member’ is a composition for soprano solo, Urban solo (also written for Charlotte Riedijk). The traditional Lebanese folksong Abu Zeluf – as sung by the Lebanese singer Dunya Yunis – could perhaps also be considered as a part of this ‘family’; Urban Solo, as well as Urban Songs (first song), were partly inspired by this folksong. The song itself, however, is not quoted; similarities are rather to be found in certain kinds of ornamentation, and in the speech-sounds that are used (stripped of their semantic meaning!). Where the first part (song) could – in spite of the title of the composition – in some ways be called ‘rural’, the second part (song) is definitely ‘urban’ in character. It not only refers to an urban style of music (no one can probably fail to notice which kind of music is meant), but also the ‘montage’-like structure would be unthinkable without modern urban technologies such as the technique of sampling.
(Klas Torstensson)

Read the article (Dutch) by Huib Ramaer
(or download the full program with this article here)

Klas Torstensson is in het Zweedse Nässjö geboren. Zijn muziek leeft volop dankzij ensembles die hem op handen dragen in Zweden, Nederland en andere windstreken. De uitvoeringsgeschiedenis van de door het Doelen Ensemble uitgevoerde stukken getuigt van het internationale succes van zijn muziek. Maarten van Veen zit met de partituren op schoot aan de telefoon. Hij heeft al een aantal repetities gedirigeerd. Het Doelen ensemble is goed voorbereid op de directie door Arie van Beek. ‘Klas was zijn tijd een behoorlijk eind vooruit’, is zijn conclusie. ‘Deze muziek staat als een huis en Urban Songs klinkt ook helemaal niet als typisch jaren negentig.’ Hij schetst hoe Torstensson een grote secunde als een dobbelsteen almaar rond gooit door het ensemble en dankzij een zeer gedetailleerde zetting van allemaal kleine stukjes toch een verhaal weet te maken. ‘Hij zoekt het heel bewust in de klank van elk instrument.’ Kreeg hij nog een erratum van de componist. Bleek Torstensson de puls in een behoorlijk snel crescendo een halve tel te hebben verplaatst. ‘Doe ik het op de repetitie, denk ik: verdomme hij heeft wèl gelijk!’ Geen noot is toevallig, ‘het is groot vakmanschap’. Wat complex klinkt blijkt soepel speelbaar. ‘Het is gewoon heel goed opgeschreven.’ 

Voorjaar 2010 kon je in Amsterdam de première beleven van Torstenssons Vioolconcert voor Jennifer Koh en het Nieuw Ensemble. De compacte kamermuziekversie waar solist Jellantsje de Vries zich hier op werpt is een opdracht van het Zweedse ensemble The peärls before swïne experience, met steun van Rikskonserter in Zweden en het Fonds Podiumkunsten in Nederland. Ruige gestes met glissando’s worden afgezet tegen een lyrisch herkenningsmotief. ‘In de verte doet het denken aan Zweedse volksmuziek, of laat mijn geheugen me in de steek?’, vergroot Torstensson het raadsel. Gestuiter en razendsnel kat en muisspel tussen solist en ensemble, wisselt zich af met wonderschone klankkleuren. Aardse en hemelse sferen, grondige klanken en ijle kwetsbaarheid, het klassiek dualisme lijkt hier tot in alle dimensies te zijn uitgepuurd. Verstilling volgt in het tweede deel, heel 

ruimtelijk, met subtiele verwijzingen naar archaïsche volksmuziek. Het thema is ontleend aan Le dolci parole uit In grosser Sehnsucht waar de sopraan het zingt met schaarse begeleiding van de viool op de losse g-snaar. Het derde deel opent viool solo. Akkoorden en uitbundige streken op open snaren refereren aan dansante fiddle-muziek. In hinkstapsprong herhaalde loopjes grijpen terug naar de opening. Subtiel slagwerk geeft deze vitale finale schwung.

Pocket Violin Concerto is opgedragen aan de Zweeds-Amerikaanse musicus George Kentros, violist in The peärls before swïne experience. 

Drie jaar later ontstond Sieben mal sieben voor het European Ensemble. De tweede versie is aangepast aan de zeven musici van het kamermuziekensemble Norrbotten  NEO dat zich sinds 2007 hard maakt voor nieuwe muziek in Zweden. Het is die versie waarvan het Doelen Ensemble hier de allereerste Nederlandse lezing geeft. De strijkers zijn gebleven. Het coloriet van mandoline en gitaar heeft plaatsgemaakt voor de klanken van piano en slagwerk. Naast klarinetten is er nu ook een breed palet fluiten. De iconische egg shakers zijn verhuisd van gitarist naar percussionist. Werd er in het ad libitum tussenspel in de versie voor het European Ensemble geklopt op mandoline en gitaar, hier klinkt vrije percussie op kast en binnenkant van de concertvleugel en houten of met vel bespannen slagwerk. Structurele kantelpunten zijn de solo’s. De klarinet neemt het voortouw met een fascinerende solo pivoterend rond een trillerfiguur. Een solo voor viool mondt uit in een steeds soepeler swingend betoog met kinky baslicks en speelse levensvreugde. Opwinding slaat om naar verstilling en reflectie. Ragfijn vertakt zich het weefsel en grijpt het ensemble steeds meer in. We horen speels herhaalde beats en loopjes – slank als bebop – leiden schijnbaar argeloos naar het bedrieglijk eenvoudige luchtige slot. 

Als keerpunt in zijn oeuvre ziet Torstensson zijn Expeditionen waarvoor de poolexpeditie van Salomon August Andrée uit 1897 hem het dramatisch materiaal leverde. Deze grootschalige opera van ruim twee uur werd voor het eerst (concertant) uitgevoerd op 12 juni 1999 in het Amsterdams Concertgebouw. Andrée en zijn mannen kozen 11 juli 1897 vanaf de noordelijke eilandengroep Spitsbergen het luchtruim in hun ballon. Ze keerden nimmer terug. Stoffelijke resten werden augustus 1930 aangetroffen op Kvitøya, het meest oostelijke eiland van Spitsbergen. Dagboekaantekeningen liepen door tot 7 oktober 1897. Bij de opa van Klas stonden ze in de boekenkast. Hij verslond het avontuur al toen hij een jaar of tien was. Ruim dertig jaar later stolde de essentie ervan in muziek met The Last Diary voor recitant en groot ensemble uit 1994. Urban Songs voor de sopraan Charlotte Riedijk is een voorloper daarvan. Het was een tijd waarin het spectrum van zijn componeren zich geleidelijk verwijdde. Toelating van tonaliteit bleek cruciaal voor de expressie van emoties. Na instrumentale stukken waarin hij in de jaren tachtig de grenzen van het materiaal zocht in fysieke extremen, luidden vocale verkenningen deze nieuwe fase in. 

Opdrachtgever voor Urban Songs was het IRCAM, de ondergrondse tempel voor nieuwe muziek van Boulez. Enkele maanden verbleef hij in de catacomben. Terwijl zijn buurman esoterisch bezig was via allerlei berekeningen een strijkerspizzicato na te bootsen, zat Torstensson hits van vrouwelijke rapgroepen uit New York te samplen. Kabaal als van een omvallend drumstel. Eerste vrucht was Urban Solo, een solostuk voor sopraan waarvoor hij in Parijs de elektronica ontwierp. Urbans Songs is de latere uitwerking daarvan voor sopraan, groot ensemble en computers. De tegenstelling tussen een ruraal en een urbaan getint deel bepaalt het tweeluik. Hij ontdekte een Libanees volksliedje, Abu Zeluf (vader Zeloef), op een plaat met antropologische veldopname. De melodie en spraakklanken raakten hem onmiddellijk. Het wilde ze uitsluitend gebruiken als klankmateriaal, analyseerde het lied, rangschikte de elementen en plaatste ze in volgorde naar zijn zin. Het eindresultaat was ‘een imitatie van een soort namaaktaal, gebaseerd op een Libanees bergdialect’. De fatwa tegen de schrijver Salman Rushdie na publicatie van diens Duivelsverzen vers in het geheugen, wilde hij checken of er niet per abuis iets blasfemisch in doorklonk. In een Libanees restaurant in de Amsterdamse Pijp droeg hij het voor. ‘Ze snapte er niks van, toen dacht ik: nou dan zit ik goed.’ 

Het summum van software en computertechnologie op het IRCAM heette destijds MAX. De handleiding maande de grenzen van het programma op te zoeken. De aansporing bevatte poëtische wendingen als ‘Hit the limits of the usual.’ Ideaal materiaal voor het urbane deel. Nog beter: kreten en tekstflarden uit hits van vrouwelijke rapgroepen, rond 1990 populair in New York. De rapgroepen van die tijd namen graag flarden mee van bekende nummers, James Brown, Kate Bush of Michael Jackson. ‘Toen dacht ik, zou het niet conceptueel interessant zijn die rapgroepen op hun beurt te bestelen?’ Een intro van The Beatles bleek te zijn gebruikt voor een rap. Hij besloot het te samplen, de kickdrum en de snaredrum te ontleden en er vervolgens in het IRCAM weer een geheel van te smeden. Het werd de intro van het tweede deel. Charlotte Riedijk gaf op 25 februari 1993 de vuurdoop in het Centre Pompidou met het Ensemble Intercontemporain onder leiding van David Robertson. Het dankbare stuk bleef er nog lang op de lessenaars staan en werd snel opgepikt door andere ensembles.
(Huib Ramaer)

More info about the concert

Urban Songs at Donemus